Door Jabik-Jan Bastiaans

‘Hoe ga je mij eigenlijk noemen in je verhaaltje?’, vroeg ze, haar kin een beetje geheven. ‘Goeie vraag!’ Dat zeg ik altijd als ik geen antwoord weet. ‘Lieve M’, schoot er door mijn hoofd, maar bij nader inzien vond ik dat te veel jaren tachtig. Marcel van Roosmalen gebruikt ‘de vriendin’. Ik denk dat Marcel van Roosmalen niet eens meer weet wanneer hij wel of niet ironisch is. ‘Neem je de vriendin ook mee?’, vraagt een van de biervrienden, hopend op een ontkennend antwoord. Sylvia Witteman houdt het op ‘huisgenoot P’, een uitgedoofde vlam suggererend, hoewel ook bij Sylvia de ironie op de loer ligt, terwijl het niet uit te sluiten is dat er in dat geintje nog een seintje zit. Spanningsboog!

Die van de boeken begon onrustig op haar stoel heen en weer te schuiven. Dat betekent dat het te lang duurt. Wat dacht je van ‘Die van de boeken?’, zei ze.

Kijk. Je hoopt natuurlijk, dat als je een verhaaltje gaat schrijven, dat je dan de per- sonages erin zelf een naam mag geven. En dat dus de personages erin niet hun eigen naam verzinnen. Dat is best een zwaktebod, zeg maar.

Hoewel. Die van de boeken. Niet slecht, niet slecht. Een zekere distantie. Met een ironisch lachje al die drukdoenerij in de verte aanschouwend. Die van de boeken. Misschien iets te veel ‘eigenlijk ben ik een gekke meid’. Maar een kniesoor die daar op let, want het zegt natuurlijk meer over mij dan over haar. Jammer dat ik het niet zelf heb verzonnen.

Die van de boeken dus. Die merkte aan het einde van een lange werkdag op, dat we naast het gebruikelijke eindedagsupermartkbezoek ‘nog even langs de Action’ moesten. ‘Die zit naast de Hema’, voegde ze eraan toe, in het midden latend wat de toegevoegde waarde van die informatie is. Na afronding van de boodschappen in het filiaal van de heer Heijn, vroeg ze nog eens ‘of ik nu meteen naar huis ging, of toch nog eventjes mee naar de Action’, wat deed vermoeden dat ons iets onaangenaams te wachten stond.

Maar ik ging gewoon mee, want ik was nog nooit in een Action geweest. Wist ik veel. Verstopt achter enkele gebouwen van onbestemd karakter, op de begane grond van een flatgebouw, kwam het logo ons tegemoet schijnen. Zo op het oog een sorteercentrum van een pakketjesdienst in een achterstandswijk van een middelgrote stad, waar ze aan het overwerken zijn. In principe is het ook een sorteercentrum, de klanten zijn de sorteerders: dit hier is nog wel bruikbaar, gooi de rest maar weg.

Die van de boeken moest ook iets sorteren uit deze losjes bij elkaar gegooide hoop rom- mel. Voor de vissenpost weet u wel. ‘Stomme kerstkaartjes’, zei ze. ‘Die een liedje maken als je ze opendoet.’ Jaha lief dagboek, wij hoger opgeleide creatieve types kunnen alleen nog ironisch communiceren.

In de volle Action begon ze een stelling met beoogde kerstkaarten aan te vallen, begeleid door een soundtrack van staccato ‘Jingle bells, jingle be….’, alsof je een peuter van vier een kerstspeelgoedje hebt gegeven.

Afijn. Wij baalden er ook van.

Na afronding van de formaliteiten stonden we in de rij voor de kassa, achter een me- vrouw. Deze mevrouw was een verschijning waarvan je het flauw zou vinden als ze in een film een mevrouw speelt die in de rij voor de kassa van de Action staat. Of zoiets. Zonnebankbruin, uitgelopen highlights in het haar, doorrookte stem, een slaapzakjas tot de enkels. Het uiterst vriendelijke kassameisje behandelde haar met alle egards, maar ze was nog te beroerd om dankjewel te zeggen. Wat een akelig mens, dacht ik. Akelig mens, akelige winkel, akelige feestmaand. Haat aan kerst.

Die van de boeken rekende af, we liepen naar buiten met een veel te volle tas en als gebruikelijk was Die van de boeken zoekende naar sleutels, een muts, handschoenen, een sjaal die verstrikt raakte tussen benen en dan moest die fiets ook nog van het slot af.

Ik aanschouwde het spektakel naast mij en ging eens rustig op mijn andere been staan. De mevrouw in de slaapzak stond aan de andere kant, ze was bezig een kettingslot waarmee je circusolifanten aan een hek vast kan maken, van haar (hoe kan

het ook anders) scooter los te sleutelen. Ze keek daar onverminderd chagrijnig bij, met een half oog de worsteling van Die van de boeken beloerend.

Ondertussen begon het spektakel uit de hand te lopen. Die van de boeken leek de strijd met de elementen te verliezen, de fiets dreigde om te vallen, de actionspullen wilden echt niet in de fietstas, de vintage Koga Miyata dreigde onder al het geweld te kantelen terwijl Die van de boeken werd aangevallen door haar sjaal en een jas waar het binnenwerk vervaarlijk uit bengelde. Het onvermijdelijke gebeurde, onder veel ‘godverdegodvers’ donderde het hele zaakje om en lagen de kerstkaarten op het eenzame trottoir voor de Action.

En u dacht dat het leven van Die van de boeken een glamoureuze aangelegenheid was.

Ondertussen moest uw schrijver maar eens in actie komen, een beetje observerend op het andere been gaan staan is leuk voor in de boekjes, maar dat valt vaak slecht bij de sociale omgeving.

Echter. Voordat ik iets kon uitrichten, knielde de vrouw in de slaapzak naast Die van de boeken en zette haar fiets weer overeind. ‘Zooo’, zei ze met doorrookte stem.

Ziedaar uw kerstgedachte. Veel plezier ermee.